Skip links

Meesters en Gezellen 2026 technisch uitmuntend en van grote emotionele zeggingskracht!

Recensie door: Doke Oosterholt

Afgelopen zaterdag klonk prachtige Hongaarse a cappella koormuziek in de Jacobskerk, vermaard om zijn akoestiek. Op het programma stonden gedragen lamento’s, poëtische burleske volksliederen en zelfs soundscapes van Ligeti. Centrale componist was Zoltán Kodály, waarvan het romantisch expressieve Miserere werd uitgevoerd, naast het woordloze Bergnachten voor alleen vrouwenstemmen, en een muzikale zetting van een gedicht “Noorse meisjes”. Het koor van jonge getalenteerde vocalisten stond onder leiding van Zoltán Pad, chef-dirigent van het Hongaars Radio Koor plus vier professionele Hongaarse zangcoaches.

Bijna was Meesters & Gezellen ’26 niet doorgegaan vanwege het onverwachte overlijden van Geert Berghs, grondlegger en drijvende kracht achter Stichting Tettix en het daaraan verbonden jaarlijks project Meesters & Gezellen. M&G is gebleken een uitstekend ontwikkelingstraject te zijn voor jonge zangers die, vaak naast hun werk als solist, een carrière in de professionele kamerkoren ambiëren. Het project heeft na 15 jaar een internationale reputatie opgebouwd. Stichting Tettix is in gesprek met verschillende professionele koren om zijn levenswerk en erfenis de komende jaren voort te zetten.

Ter nagedachtenis van Geert Berghs werd het nieuw gecomponeerde “In lumine tuo”, Psalmen 36:9, van Georgi Szjotanov ten gehore gebracht. Dit gebeurde aan het eind van het concert op een zeer waardige manier, waarbij de zangers langzaam van het podium afkwamen en de zaal in schreden om rond het publiek te komen staan, ons als het ware omringend en dragend met hun prachtige resonans. De weduwnaar van Geert Berghs leidde het concert in en sloot het ook weer af. De Jacobskerk Vlissingen heeft de spits af mogen bijten met dit concert. De hele week toert het koor nog door Nederland (Noordwijk, Amsterdam, Leiden, Nijmegen, Dalfsen, Utrecht).

Hongaarse koormuziek klinkt wellicht wat vreemd in onze westerse oren. Weliswaar ligt Hongarije in het midden van Europa, toch klinkt de muziek bijna Russisch orthodox. Na afloop van het concert sprak ik erover met de coaches, met name Márta Murányi, sopraan. Zij begreep waarom ik dat zei, en bevestigde dat in de Hongaarse muziek veel dissonanten gebruikt worden, de muziek emotioneler is en veelal klaaglijk klinkt tot in merg en been met diepe gedragen bastonen en hemels hoge sopraan-klanken daar boven zwevend. Weemoed is het Hongaarse levensgevoel.

Er is in Hongarije een sterke koortraditie en mensen zoeken elkaar op om tot laat door te zingen. Wie wel eens Hongarije bezocht heeft kan dat onderschrijven: het is een erg muzikaal land. Er zijn natuurlijk de zigeunerinvloeden, in het concert te horen in de Duitstalige romantische liederen van Liszt. Alhoewel Liszt hierin en in zijn “ave verum corpus” vreemde samenklanken gebruikt, klinkt hij toch nog behoorlijk gewoon westers romantisch in mijn oren.

Eerst en vooral is de volksmuziek namelijk bestudeerd en in kunstige composities verwerkt door met name Kodály en Bartók vanaf zo ongeveer 1900. Leo Samama schrijft in zijn uitvoerige programmatoelichting op dit concert: “In menig opzicht trokken Bartók en Kodály gelijk op, zeker wat hun koorwerken betreft. Beiden begonnen ook in een romantisch idioom te schrijven en schakelden naarmate het volksliedonderzoek vorderde over naar modernere technieken en klanken, dichter bij de echte volksmuziek. Typerend voor hun koormuziek is dat ze taal en muziek knap aan elkaar weten te verbinden.”

Van Bartók werd “Magyar Népdalok” (Hongaarse volksliederen) uit 1930 ten gehore gebracht, algemeen gezien als een hoogtepunt in zijn werken voor a cappellakoor. Hij durft hierin de koorklank even rauw en direct te laten klinken als in de echte volksmuziek die hij op het land bij de boeren had gehoord, of het nu gaat om een gevangene, een verstekeling, het verkoopstertje of een liefdeslied.

Kodály en Bartok vielen wat mij betreft al op door de prachtige woordschilderingen. György Ligeti die na hen begon te componeren, spande wat mij betreft de kroon. “Magyar etüdök” (Hongaarse etudes) voor zestien stemmen componeerde Ligeti in 1983 op gedichten van Sándor Weöres. Het hele concert is na dit stuk vernoemd. Je zou het onomatopeeën (klanknabootsingen) kunnen noemen, wat hij hier ten gehore brengt. Ik hoorde bij wijze van spreken het water druppen in het eerste deel en de kikkers kwaken in het tweede deel!

Het derde deel “Vásár” (jaarmarkt) was bijna nog beeldender. Bas, Alt, Sopraan, Tenor en Koor kakelden steeds sterker door elkaar heen met elk hun eigen tempo, melodie en tekst. Op het eind ontstond een klankmuur, een samengesmolten klank, waarin onderlinge stemmen niet meer te onderscheiden waren. Fenomenaal.